|
De budgettaire gevolgen van de
vergrijzing
Ramingen
Studiecommissie voor de vergrijzing
Het meest recente rapport van de
Studiecommissie dateert van juni 2010(1).
Hierin wordt de totale budgettaire kost van de vergrijzing berekend, een
concept dat wordt bepaald als de variatie van alle sociale uitgaven over een
gegeven periode. In het referentiescenario van de Studiecommissie (met een
jaarlijkse productiviteitsgroei van 1,5% en een structurele
werkloosheidsgraad van 8% op lange termijn) zouden de totale sociale
uitgaven tussen 2009 en 2060 met 6,3% van het bbp toenemen. Van deze toename
kan 4,7 procentpunt worden toegeschreven aan de stijging van de uitgaven
voor pensioenen (van 9,7% tot 14,4% van het bbp), en 3,6 procentpunt aan de
stijging van de kosten voor gezondheidszorgen. De uitgaven voor werkloosheid
zouden onder de aangenomen hypothesen afnemen met 1,1% van het bbp (van 2,3%
tot 1,2% van het bbp). Ook de kosten voor kinderbijslag worden verondersteld
af te nemen, namelijk met 0,4 procentpunt van het bbp tussen 2009 en 2060
(een daling van 1,7% tot 1,3% van het bbp).
De totale sociale uitgaven zouden in
2060 31,8% van het bbp bedragen, ten opzichte van 25,5% in 2009. Dit is 0,1
procentpunt hoger dan de raming uit het vorige verslag voor dezelfde
periode. Er dient wel te worden opgemerkt dat de budgettaire kosten van de
vergrijzing in het vorige verslag 8,2% van het bbp bedroegen over de periode
2008-2060. Hierin zat een zeer sterke stijging van de sociale uitgaven ten
opzichte van het bbp in 2009. Dit was onder meer een gevolg van de
financiële en economische crisis waardoor het bbp in 2009 substantieel lager
lag dan in 2008.
Op middellange termijn, van 2009 tot
2015, zouden de budgettaire kosten van de vergrijzing met 1,1% van het bbp
toenemen. 0,6 procentpunt hiervan is toe te schrijven aan de pensioenen, en
0,8 procentpunt aan de kosten voor gezondheidszorg. De werkloosheidskosten
zouden afnemen van 2,3% van het bbp tot 2,1% van het bbp.
TABEL
26 Budgettaire gevolgen van de vergrijzing |
|
Componenten van de budgettaire kosten van de
vergrijzing (in % bbp) |
2009 |
2015 |
2030 |
2060 |
2009-2015 |
2015-2060 |
2009-2060 |
|
Pensioenen |
9,7 |
10,3 |
13,2 |
14,4 |
0,6 |
4,1 |
4,7 |
|
Werknemersregeling |
5,4 |
5,8 |
7,5 |
8,2 |
0,4 |
2,5 |
2,9 |
|
Zelfstandigenregeling
|
0,8 |
0,8 |
1,0 |
0,9 |
0,0 |
0,1 |
0,1 |
|
Overheidssector |
3,5 |
3,7 |
4,7 |
5,2 |
0,2 |
1,5 |
1,7 |
|
Gezondheidszorg |
8,1 |
8,9 |
9,8 |
11,7 |
0,8 |
2,9 |
3,6 |
|
Acute gezondheidszorg
|
- |
7,4 |
8,0 |
8,7 |
- |
1,3 |
- |
|
Langdurige gezondheidszorg
|
- |
1,5 |
1,8 |
3,1 |
- |
1,6 |
- |
|
Arbeidsongeschiktheid |
1,5 |
1,6 |
1,5 |
1,4 |
0,1 |
-0,2 |
-0,1 |
|
Werkloosheid |
2,3 |
2,1 |
1,4 |
1,2 |
-0,2 |
-0,9 |
-1,1 |
|
Brugpensioen |
0,4 |
0,4 |
0,3 |
0,3 |
0,0 |
-0,1 |
-0,1 |
|
Kinderbijslag |
1,7 |
1,6 |
1,5 |
1,3 |
-0,1 |
-0,3 |
-0,4 |
|
Overige sociale uitgaven |
1,8 |
1,7 |
1,6 |
1,5 |
-0,1 |
-0,2 |
-0,3 |
|
Totaal |
25,5 |
26,6 |
29,2 |
31,8 |
1,1 |
5,2 |
6,3 |
|
p.m. Lonen van het onderwijzend personeel |
4,3 |
4,1 |
4,1 |
4,0 |
-0,2 |
-0,1 |
-0,3 |
Grafiek 5
Verwachte evolutie van de sociale prestaties (als % van het bbp)

Bron: Studiecommissie voor de vergrijzing (2010)
Zoals aangegeven is het referentiescenario dat de Studiecommissie analyseert
gebaseerd op een gemiddelde jaarlijkse productiviteitsgroei van 1,5%. Aangezien
de onzekerheid als gevolg van de crisis groot blijft, heeft de Studiecommissie
er net als vorig jaar voor geopteerd om 2 alternatieve scenario’s te berekenen,
namelijk een met een hogere productiviteitsgroei (1,75% per jaar) en een met een
lagere productiviteitsgroei (1,25% per jaar).
In het scenario met een lagere productiviteitsgroei (1,25% gemiddeld jaarlijks
vanaf 2015) wegen de sociale uitgaven zwaarder op een kleiner economisch
draagvlak, waardoor de budgettaire kosten van de vergrijzing tussen 2009 en 2060
1,2 procentpunt hoger zouden liggen dan in het referentiescenario, wat zou
neerkomen op een totale budgettaire kost van de vergrijzing van 7,5% van het
bbp. De hogere uitgaven in procent bbp worden vooral bij de werknemerspensioenen
opgetekend, omdat deze berekend worden over de volledige loopbaan en dus slechts
geleidelijk aan beïnvloed worden door de lagere productiviteitsgroei. Het
omgekeerde is waar voor het scenario met een hogere productiviteitsgroei op de
lange termijn, namelijk 1,75%, waarin de budgettaire kosten van de vergrijzing
1,1 procentpunt lager zouden uitkomen (wat overeenkomt met een budgettaire kost
van 5,2% van het bbp), ook hier hoofdzakelijk onder invloed van de
werknemerspensioenen.
In het referentiescenario stijgt de effectieve uittredingsleeftijd uit de
arbeidsmarkt met twee jaar over de projectiehorizon, namelijk van 59,7 jaar in
2008 tot 61,7 jaar in 2060. De Studiecommissie stelt een gevoeligheidsanalyse
voor die uitgaat van een meer uitgesproken stijging, namelijk een bijkomend jaar
ten opzichte van het referentiescenario, of een toename met 3 jaar van de
effectieve uittredingsleeftijd van de beroepsbevolking tussen 2008 en 2060. In
dit scenario dalen de budgettaire kosten van de vergrijzing met 1,4 procentpunt
ten opzichte van het referentiescenario, via een stijging van de
werkgelegenheidsgraad (in het bijzonder bij de 55-64-jarigen) en een
vermindering van de werkloosheidsgraad. Vooral de kosten van pensioenen zullen
in dit alternatieve scenario lager liggen dan in het referentiescenario: in
plaats van een groei van 4,7% van het bbp zouden de kosten voor pensioenen
slechts een groei van 3,9% van het bbp laten optekenen.
Grafiek 6
Sensitiviteit van de scenario’s geanalyseerd door de
Studiecommissie voor de vergrijzing

Bron: Studiecommissie voor de vergrijzing (2010)
Internationale vergelijking over de houdbaarheid van de openbare
financiën
Een vergelijking met andere landen staat toe om de Belgische
vergrijzingsproblematiek in het juiste perspectief te zetten. Volgens de analyse
van de Europese Commissie zullen de vergrijzingsgerelateerde uitgaven in België
toenemen met 6,6% tussen 2010 en 2060. Hiermee behoren we tot een tweede groep
landen met Finland, Tsjechië, Litouwen, Slovakije, het Verenigd Koninkrijk en
Duitsland waarvoor de stijging van de vergrijzingskost meer gematigd is hoewel
hij hoog blijft (tussen 4 en 7 percentpunt BBP).
TABEL
27 Toename van de vergrijzingskosten in de EU-landen |
|
|
Pensioenen |
Gezondheidszorg |
Langdurige gezondheidszorg |
Werkloosheid |
Totaal |
|
|
|
Evolutie |
|
Evolutie |
|
Evolutie |
|
Evolutie |
|
Evolutie |
|
In % bbp |
2010 |
2010 - 2060 |
2010 |
2010 - 2060 |
2010 |
2010 - 2060 |
2010 |
2010 - 2060 |
2010 |
2010 - 2060 |
|
België |
10,3 |
4,5 |
7,7 |
1,1 |
1,5 |
1,3 |
7,3 |
-0,3 |
26,8 |
6,6 |
|
Bulgarije |
9,1 |
2,2 |
4,8 |
0,6 |
0,2 |
0,2 |
3,0 |
0,2 |
17,1 |
3,2 |
|
Tsjechië |
7,1 |
4,0 |
6,4 |
2,0 |
0,2 |
0,4 |
3,3 |
0,0 |
17,0 |
6,3 |
|
Denemarken |
9,4 |
-0,2 |
6,0 |
0,9 |
1,8 |
1,5 |
8,0 |
0,1 |
25,2 |
2,2 |
|
Duitsland |
10,2 |
2,5 |
7,6 |
1,6 |
1,0 |
1,4 |
4,6 |
-0,4 |
23,3 |
5,1 |
|
Estland |
6,4 |
-1,6 |
5,1 |
1,1 |
0,1 |
0,1 |
3,2 |
0,3 |
14,8 |
-0,1 |
|
Ierland |
5,5 |
5,9 |
5,9 |
1,7 |
0,9 |
1,3 |
5,3 |
-0,2 |
17,5 |
8,7 |
|
Griekenland |
11,6 |
12,5 |
5,1 |
1,3 |
1,5 |
2,1 |
3,8 |
0,1 |
21,9 |
16,0 |
|
Spanje |
8,9 |
6,2 |
5,6 |
1,6 |
0,7 |
0,7 |
4,8 |
-0,2 |
20,0 |
8,3 |
|
Frankrijk |
13,5 |
0,6 |
8,2 |
1,1 |
1,5 |
0,7 |
5,8 |
-0,2 |
29,0 |
2,2 |
|
Italië |
14,0 |
-0,4 |
5,9 |
1,0 |
1,7 |
1,2 |
4,3 |
-0,2 |
26,0 |
1,6 |
|
Cyprus |
6,9 |
10,8 |
2,8 |
0,6 |
0,0 |
0,0 |
5,8 |
-0,6 |
15,5 |
10,7 |
|
Letland |
5,1 |
0,0 |
3,5 |
0,5 |
0,4 |
0,5 |
3,3 |
0,3 |
12,3 |
1,3 |
|
Litouwen |
6,5 |
4,9 |
4,6 |
1,0 |
0,5 |
0,6 |
3,5 |
-0,4 |
15,1 |
6,0 |
|
Luxemburg |
8,6 |
15,3 |
5,9 |
1,1 |
1,4 |
2,0 |
4,0 |
-0,3 |
19,9 |
18,2 |
|
Hongarije |
10,5 |
0,6 |
5,8 |
1,3 |
0,3 |
0,4 |
4,5 |
-0,3 |
21,0 |
2,0 |
|
Malta |
8,3 |
5,1 |
4,9 |
3,1 |
1,0 |
1,6 |
5,0 |
-0,7 |
19,2 |
9,2 |
|
Nederland |
6,5 |
4,0 |
4,9 |
0,9 |
3,5 |
4,6 |
5,6 |
-0,2 |
20,5 |
9,4 |
|
Oostenrijk |
12,7 |
1,0 |
6,6 |
1,4 |
1,3 |
1,2 |
5,2 |
-0,2 |
25,7 |
3,3 |
|
Polen |
10,8 |
-2,1 |
4,1 |
0,8 |
0,4 |
0,7 |
3,8 |
-0,6 |
19,1 |
-1,1 |
|
Portugal |
11,9 |
1,5 |
7,3 |
1,8 |
0,1 |
0,1 |
5,6 |
-0,4 |
24,9 |
2,9 |
|
Roemenië |
8,4 |
7,4 |
3,6 |
1,3 |
0,0 |
0,0 |
2,7 |
-0,2 |
14,7 |
8,5 |
|
Slovenië |
10,1 |
8,5 |
6,8 |
1,7 |
1,2 |
1,7 |
5,1 |
0,7 |
23,1 |
12,7 |
|
Slovakije |
6,6 |
3,6 |
5,2 |
2,1 |
0,2 |
0,4 |
2,9 |
-0,6 |
14,9 |
5,5 |
|
Finland |
10,7 |
2,6 |
5,6 |
0,8 |
1,9 |
2,5 |
6,4 |
0,0 |
24,7 |
5,9 |
|
Zweden |
9,6 |
-0,2 |
7,3 |
0,7 |
3,5 |
2,2 |
6,6 |
0,0 |
27,1 |
2,7 |
|
Verenigd Koninkrijk |
6,7 |
2,5 |
7,6 |
1,8 |
0,8 |
0,5 |
4,0 |
0,0 |
19,2 |
4,8 |
|
Europese Unie (EU27) |
10,2 |
2,3 |
6,8 |
1,4 |
1,3 |
1,1 |
4,9 |
-0,2 |
23,2 |
4,6 |
|
Eurozone |
11,2 |
2,7 |
6,8 |
1,3 |
1,4 |
1,3 |
5,0 |
-0,2 |
24,5 |
5,1 |
|
Bron: Diensten van de Europese Commissie en het
Economic Policy Committee |
(1) Hoge Raad van
Financiën, Studiecommissie voor de vergrijzing, Jaarlijks verslag, juni 2010.
|