NL  |   | 
Contact | Help | Sitemap       Zoeken:   Search .be

Belgisch Stabiliteitsprogramma

2011 - 2014

 

U bent hier : Belgisch Stabiliteitsprogramma breadcrumb image Procedure bij buitensporige tekorten breadcrumb image Begrotingsresultaten 2010


Begrotingsresultaten 2010

topic Het vorderingensaldo

Volgens de eerste ramingen van het INR van 31 maart laatstleden, zijn de begrotingsresultaten 2010 merkelijk beter dan de doelstellingen die de Belgische overheid in 2010 had vooropgesteld, namelijk een vorderingensaldo van -4,1% van het bbp tegenover -4,8 % van het bbp zoals aanvankelijk voorzien.

Ten opzichte van 2009 (-5,9% van het bbp) verbetert het overheidssaldo aldus met 1,8 procentpunt in 2010, wat meteen een einde maakt aan de verslechtering van de Belgische overheidsfinanciën die in 2007 was ingezet. Bovendien lijkt deze verbetering beduidend gunstiger dan de gemiddelde verbetering binnen de eurozone (0% van het bbp)(1).

                     TABEL 5
                           Evolutie van het vorderingsaldo (in % van het bbp)

  Vorderingensaldo als % van het bbp Verschil 
  2009                         2010  
 

 

Stabiliteits-programma NBB - Jaarverslag 2010 INR

 

 

Gerealiseerd Januari 2010 Raming (februari 2011) Gerealiseerd (maart 2011) Gerealiseerd 2010 vs. 2009 Gerealiseerd 2010 vs. Stabiliteits-programma
Gezamenlijke overheid -5,9% -4,8% -4,6% -4,1% 1,8% 0,7%
Entiteit I -5,0% -3,8% -3,4% -3,2% 1,8% 0,6%
+ Federale overheid -4,2% -3,3% -3,3% -3,1% 1,1% 0,2%
+ Sociale zekerheid -0,8% -0,5% -0,2% -0,1% 0,7% 0,4%
Entiteit II -0,9% -1,0% -1,1% -0,9% 0,0% 0,1%
+ Gemeenschappen en gewesten -0,8% -0,6% -0,8% -0,7% 0,1% -0,1%
+ Lokale overheden -0,1% -0,4% -0,4% -0,2% -0,1% 0,2%
Schuld (definitie Maastricht) 96,2% 100,6% 97,5% 96,8% 0,6% -3,8%
Bron: Instituut voor de Nationale Rekeningen, Nationale Bank van België.

De evolutie van het vorderingensaldo in 2010 komt voornamelijk voort uit:

1) de gevoelige verbetering van de economische groei;

2) de tenuitvoerlegging van een meerjarenbegroting op het niveau van Entiteit I en besparingsmaatregelen op het niveau van de gefedereerde entiteiten;

3) een behoedzaam begrotingsbeleid;

4) een neerwaartse herziening van het tekort van de lokale overheden als gevolg van de verbeterde kwaliteit van hun rekeningen.

TABEL 6
Evolutie van het vorderingensaldo in 2010 en van de economische groei

Als % bbp Economische groei Vorderingensaldo 2010
Aanvulling stabiliteitsprogramma (september 2009) 0,4% -6,0%
Begroting 2010-2011 (oktober 2009) 0,4% -5,4%
Stabiliteitsprogramma (januari 2010)+ begrotingscontrole (maart 2010) 1,1% -4,8%
Gerealiseerd (maart 2011) 2,1% -4,1%

Volgens de eerste beschikbare ramingen van de nationale rekeningen bedroeg de economische groei 2,1%, terwijl in het stabiliteitsprogramma van januari 2010 een groei van 1,1% was vooropgezet. De Belgische overheid heeft dus duidelijk zijn toezegging waargemaakt om de gunstige gevolgen van de gunstigere economische groei aan te wenden om het tekort en de overheidsschuld af te bouwen.

Die verbetering van het economisch klimaat is niet het enige element dat heeft bijgedragen tot de grote daling van het vorderingensaldo, temeer daar in 2010 de economische groei voornamelijk getrokken werd door de buitenlandse vraag, die minder belastingontvangsten meebrengt.

Uit deze betere resultaten blijkt namelijk ook de behoedzaamheid die de regering aan de dag heeft gelegd bij het maken van haar ramingen en bij het opstellen van de meerjarenbegroting 2010-2011 in oktober 2009. De regering heeft gekozen voor een eerder behoudende aanpak, aangezien niet alle gekende onderbenuttingen van de uitgaven in de begroting werden meegerekend. Zo kon de regering onrechtstreeks buffers inbouwen waarmee ze eventuele ongunstige ontwikkelingen kan opvangen.

Zoals gedetailleerd uitgelegd in het stabiliteitsprogramma 2010, betreffen de voornaamste saneringsmaatregelen voor de overheidsfinanciën in 2010-2011:

1) aanzienlijke efficiëntiewinsten bij het overheidsapparaat. Die inspanningen werpen stilaan vruchten af; de maatregelen in verband met het federaal overheidspersoneel leiden tot een daling met 5% van het personeelsbestand over de periode 2008-2011; voorts daalden in 2010 de uitgaven voor wedden met 0,3 % in reële termen voor de gezamenlijke overheid en met 1,8 % voor de federale overheid (zie punt 7.3.2);

2) besparingen in de gezondheidszorg en een controle op de uitgaven in deze sector; ondanks wettelijke groeinorm van 4,5 % in reële termen, bedraagt de reële groei in de gezondheidszorg 0,5 % in 2010;

3) een milieubewuste fiscaliteit. Hiertoe heeft de regering onder meer beslist de gebruikers van bedrijfsvoertuigen bewust te maken van de CO2-uitstoot van de gekozen wagens (belasting van het voordeel in de personenbelasting en variabele aftrek in de vennootschapsbelasting, naargelang van de CO2-uitstoot). Ook het cliquetsysteem voor diesel werd verlengd. Bovendien werden de buitenkanseffecten geschrapt in de maatregelen ter bevordering van energiebesparende investeringen (beperking van een aanzienlijk deel van de belastingvoordelen tot woningen van minstens 5 jaar oud);

4) een bijdrage van de financiële sector als antwoord op de steun die de Belgische overheid gedurende de financiële crisis heeft toegekend; deze bijdrage lijkt hoger uit te vallen dan wat aanvankelijk werd verwacht omdat de ontwikkeling van de deposito's gunstiger is (+26 miljoen in 2010 en +150 miljoen in 2011);

 5) grote inspanningen om de sociale en fiscale fraude terug te dringen (zie hoofdstuk 7.3.1).

TABEL 7
Samenvatting van de maatregelen genomen in de meerjarenbegroting 2010-2011 op het vlak van Entiteit I

In miljoen EUR 2009 2010
Uitgaven    
  Primaire uitgaven    
      Personeelsuitgaven 100 100
      Andere 100 100
  Sociale zekerheid    
      Gezondheidszorg 956 1093
      Andere 107 141
Inkomsten    
     Energiebelastingen 376 531
     Taksen op tabak 59 118
      Andere 257 249
Andere    
Fiscale en sociale fraude 172 365
Financiële sector 245 751
Energie 235 235
Totaal 2607 3683
als % van het bbp 0,8 1,0


Focus: Verbeterde kwaliteit van de rekeningen van de lokale overheden

De verbeterde begrotingsresultaten voor 2010 in vergelijking met de vorige ramingen wordt onder meer verklaard door een neerwaartse herziening van het tekort van de lokale overheden (van -1 313 miljoen EUR naar -612 miljoen). Deze herziening is een eerste concretisering van het samenwerkingsakkoord dat de federale Staat en de Gewesten in september 2009 hebben gesloten. Dit voorzag in de oprichting van een werkgroep met het Instituut voor de Nationale Rekeningen (INR) en de Gewesten, die het toezicht uitoefenen op de lokale overheden, om de ESR95-regels toe te passen op de rekeningen van de lokale overheden.

Op basis van de nieuwe volledige gegevens van de toezichthouders van de lokale overheden over de rekeningen van de gemeenten in het land voor het jaar 2009 en van de Vlaamse gemeenten voor de vorige jaren, heeft het INR de berekening van de investeringen van de gemeenten voor de periode 2004-2009 gewijzigd. Voorheen werden de investeringsuitgaven van de gemeenten voor deze periode geraamd op basis van vastleggingen in de rekeningen van het eigenlijke boekjaar. Op die manier vermeden de gemeenten weliswaar veelvuldige boekingen ingevolge de inaanmerkingneming van alle vastleggingen in de rekeningen van het globale boekjaar, maar die werkwijze zorgde ook voor een vertekening in de tijd aangezien de investeringen werden geboekt op het ogenblik waarop de overheidsopdracht werd ondertekend en niet op het moment waarop hij daadwerkelijk werd uitgevoerd. Voortaan worden de investeringen van de gemeenten geraamd op basis van de aanrekeningen in de rekeningen van het globale boekjaar.

In de komende maanden zullen het INR en de gewesten deze werkzaamheden voortzetten om de kwaliteit van de statistische gegevens van de rekeningen van de lokale overheden te verbeteren en zo te beantwoorden aan de vereisten van Eurostat in deze aangelegenheid.
 

Hoewel er sinds 26 april 2010 geen volwaardige federale regering is, toch blijven de overheidsfinanciën onder controle, onder meer dankzij een strikte opvolging van de evolutie van de uitgaven en de ontvangsten. De federale overheid tekende in 2010 een klein primair tekort op van 0,1% van het bbp, na een tekort van 0,8% in 2009.

Gelet op de nervositeit die momenteel heerst op de financiële markten, de procedure bij buitensporige tekorten die tegen België is ingezet en de nog steeds hoge schuldgraad, heeft de federale overheid op 7 mei 2010 beslist verschillende maatregelen ten uitvoer te leggen om zich ervan te vergewissen dat de Belgische overheidsfinanciën onder controle blijven:

· oprichting van een monitoringcomité. Het is samengesteld uit vertegenwoordigers van de voorzitters van de FOD's Financiën, Sociale Zekerheid en Begroting. Het comité is bedoeld om regelmatig de begrotingsontwikkelingen op te volgen en daarover te rapporteren aan de minister van en de staatssecretaris voor Begroting en aan de regering.

· invoering van een procedure voor begrotingsdiscipline: volgens deze procedure moeten alle nieuwe uitgaven van de federale overheidsdiensten met een budgettaire kostprijs van meer dan 31.000 EUR zonder btw ter goedkeuring aan de Ministerraad worden voorgelegd. Enkel de maatregelen die noodzakelijk zijn voor de goede werking van de departementen krijgen een gunstig advies. Deze procedure zorgt er dus voor dat de groei van de primaire uitgaven van de federale Staat wordt afgeremd.

topic Evolutie van ontvangsten en uitgaven

De verbetering van het saldo tussen 2009 en 2010 is het resultaat zowel van een daling van de uitgaven met (-1,0 % van het bbp) als van een stijging van de totale ontvangsten (+0,8% van het bbp).

Grafiek 3: Voornaamste factoren voor de verbetering van het saldo in 2010 (in % van het bbp)


        Bron: Instituut voor de Nationale Rekeningen (2011)

De primaire uitgaven daalden met 0,8 procentpunt tot 49,6 % van het bbp in 2010. De rentelasten daalden dan weer met 0,2 procentpunt tot 3,4 % van het bbp, dankzij een sterke daling van de rentevoeten op de financiële markten en een actief schuldbeheer.

De lonen (-0,3 % van het bbp) en de sociale prestaties (-0,2 % van het bbp) waren goed voor de helft van de daling van de uitgaven. Deze resultaten wijzen erop dat de besparingsmaatregelen inzake personeel en de efficiëntiewinsten bij de overheid, samen met de controlemaatregelen inzake gezondheidszorguitgaven vruchten hebben afgeworpen.

De kapitaaluitgaven waren goed voor de andere helft. Ze daalden met -0,5 % van het bbp. In 2009 waren ze nog beïnvloed door de terugbetaling, op last van de rechtbank, van sommige belastingen die indertijd onrechtmatig waren geïnd enerzijds bij bedrijven die dividenden van filialen van buitenlandse filialen ontvingen en anderzijds bij gehuwde werklozen.

TABEL 8
Groei in reële termen van de primaire uitgaven *

Verschil met het voorgaande jaar in % 2009 2010
Totaal primaire uitgaven 7,2 -0,2
Lonen 4,1 -0,3
waarvan op federaal niveau 1,9 -1,8
Sociale prestaties 7,2 0,7
pensioenen 6,0 0,9
werkloosheid 19,5 -3,2
invaliditeit 8,6 6,0
gezondheidszorg 7,3 0,5
p.m. economische groei -2,9 2,1
* gedesindexeerd aan de hand van de geharmoniseerde index van de consumptieprijzen
Bron: Instituut voor de Nationale Rekeningen

Met een daling van de primaire uitgaven in reële termen met 0,2%, beantwoordt België aan de Europese aanbevelingen, meer bepaald aan de Annual Growth Survey, die bepaalt dat, voor lidstaten tegen wie een procedure bij buitensporige tekorten loopt, de reële groei van de uitgaven lager moet zijn dan de groei van het bbp. In 2010 werd een verschil opgetekend van 2,3% tussen het groeipercentage van het bbp en de groei van de primaire uitgaven.

De ontvangsten van hun kant stegen met 0,8 % van het bbp tot 48,9 % van het bbp. De groei van de ontvangsten is te danken aan de evolutie zowel van de parafiscale en de fiscale ontvangsten (0,5 % van het bbp) als van de andere ontvangsten (0,2 % van het bbp), die voornamelijk toenemen als gevolg van betalingen door financiële instellingen ingevolge de interventies van de Staat tijdens de financiële crisis.

TABEL 9
Evolutie ontvangsten

Als % bbp 2009 2010
Totale ontvangsten 48,1 48,9
Fiscale en parafiscale ontvangsten 45,2 45,7
  Directe belastingen 15,2 15,6
      Gezinnen 12,5 12,7
      Bedrijven 2,7 2,9
      Andere sectoren 0,1 0,0
  Indirecte belastingen 12,6 12,9
  Kapitaalbelastingen 0,7 0,7
  Sociale bijdragen 16,8 16,5
Andere 2,9 3,2

De toename van de directe belastingen van de gezinnen is toe te schrijven aan de afschaffing op het niveau van het Vlaams Gewest van de in 2007 ingevoerde forfaitaire vermindering en het feit dat de kohieren personenbelasting een beperkter negatief saldo vertonen dan in 2010. De invloed op de ontvangsten van beide elementen werd slechts gedeeltelijk gecompenseerd door de impact van het op niveau van de federale overheid genomen maatregelen ter vermindering van de fiscale druk.

De ontvangsten aan vennootschapsbelastingen herstelden zich enigszins na het crisisjaar 2009, maar blijven toch lager dan het peil dat ze hiervoor bereikt hadden.

De toename van het gewicht van de indirecte belastingen in 2010 is onder meer toe te schrijven aan de gunstige ontwikkeling van de private consumptie en de aanzienlijke stijging van de ontvangsten aan accijnzen ingevolge het kliksysteem op diesel.

De interventies in de financiële sector brengen extra rentelasten mee aangezien de kapitaalparticipaties of de leningen aan financiële instellingen die overheidssteun kregen gefinancierd moesten worden. Waar in 2008 en 2009 het nettoresultaat, namelijk het verschil tussen de vergoedingen die voortvloeien uit die interventies en de desbetreffende rentelasten (buiten het fonds voor bescherming van de deposito's) licht negatief was, werd in 2010 een positief resultaat opgetekend van +252 miljoen EUR, of +0,1% van het bbp.

TABEL 10
Impact op het vorderingensaldo van de tegemoetkomingen en de staatswaarborgen aan financiële instellingen

In mio EUR, tenzij anders aangegeven 2008 2009 2010
Dividenden 53 121 192
Premies garanties 25 508 682
Betaalde interesten -96 -655 -622
Andere -10 -7 0
Impact -27 -33 252
Impact als % bbp 0,0 0,0 0,1
Beschermingsfonds voor deposito's 25 93 251
Bron: NBB, Verslag 2010, Economische en financiële evolutie

topic Sterke verbetering van het structureel saldo

Om de overheidsfinanciën duurzaam te saneren moet het structureel vorderingensaldo absoluut worden teruggedrongen.

Volgens de methode van de Europese Commissie inzake cyclische effecten, zou het structureel tekort zijn teruggebracht van -3,4 % van het bbp in 2009 tot -2,6 % van het bbp in 2010, dus een verbetering met 0,8%, in overeenstemming met de Europese vereisten. Daar het economisch klimaat gunstiger is dan verwacht, werd de "output gap" opwaarts herzien, waardoor de cyclische component toenam. Deze wordt op 1,4 % van het bbp geraamd. De niet-structurele maatregelen zijn goed voor -0,1 % van het bbp.

Volgens de methode die het Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB) heeft uitgewerkt, wordt het structureel tekort geraamd op -3,5 % van het bbp in 2010 tegen -4,8 % van het bbp in 2009, wat een verbetering is met 1,3 % van het bbp. Dit is bijna twee maal hoger dan wat de Raad eist.

Het verschil tussen de resultaten uit beide methodes ligt er voornamelijk in dat de ESCBmethode rekening houdt met de samenstelling van de groei alsook met de specifieke cyclische dynamiek van de verschillende belastinggrondslagen. De door de Europese commissie gehanteerde methodologie gaat dan weer uit van een vaste elasticiteit van ongeveer 51% om het structureel saldo te berekenen. We gaven reeds eerder aan dat in 2010 de groei meer getrokken werd door de buitenlandse vraag, die minder belastingontvangsten meebrengt. Hierdoor valt het te begrijpen dat volgens de ESCB-methode het structureel saldo sterker verbeterd is.

Algemeen gezien mag men dan ook besluiten dat België de vereisten terzake voor 2010 nakomt.

topic Stoppen van het sneeuwbaleffect

Na twee opeenvolgende aanzienlijke stijgingen van de schuldgraad, met 5,4 % van het bbp in 2008 en met 6,6 % van het bbp in 2009 (enerzijds ingevolge de steunmaatregelen voor de financiële sector ten belope van 6,35 % van het bbp en anderzijds door de economische crisis waardoor het bbp behoorlijk is gedaald en de overheidsfinanciën in belangrijke mate zijn verslechterd), is de toename van de schuldgraad in 2010 duidelijk vertraagd.

Volgens de momenteel beschikbare informatie zou België in 2010 een van de beperkste stijgingen van de overheidsschuld hebben opgetekend binnen de eurozone, namelijk 0,6 % van het bbp, waarvan 0,2 % van het bbp het gevolg is van de lening aan Griekenland in het kader van het Europese steunmechanisme. In de eurozone steeg de overheidsschuld gemiddeld met ongeveer 5 % van het bbp(2) in 2010.

Grafiek 4: Toename van de overheidsschuld in het eurogebied in 2010 (in % van het bbp)

Bron: Instituut voor de Nationale Rekeningen, Europese Commissie (2010)

Dit resultaat betekent een sterke verbetering in vergelijking met de aanvankelijke doelstellingen in het stabiliteitsprogramma 2010 (100,6 % van het bbp), en dit ondanks de lening aan Griekenland in het kader van het Europese steunplan voor dat land (0,2 % van het bbp), die toen nog niet gepland was.

In 2010 nam het sneeuwbaleffect sterk af. Dit blijkt uit het gecorrigeerd nominaal verschil(3), dat sterk is gedaald (van 5,8 % in 2009 tot -0,1% in 2010), onder meer dankzij de gevoelige herneming van conjunctuur en de daling van de impliciete rentevoet. Het primaire saldo dat vereist is om de schuldgraad te stabiliseren werd aldus sterk teruggedrongen (van 5,2 % van het bbp in 2009 tot 0,2 % in 2010). Door deze merkelijke verbetering van het primair saldo (van -2,3% van het bbp in 2009 naar -0,7% van het bbp in 2010) wordt de stijging van de endogene schuldgraad aldus sterk beperkt.

TABEL 11
Schuldgraad en zijn bepalende factoren

In % bbp   Jaargemiddelden
  2006 2007 2008 2009 2010 2006-2008 2009-2010

Verwezenlijkte schuldgraad

88,1% 84,2% 89,6% 96,2% 96,8% 87,3% 96,5%

Jaarlijks verschil (% bbp)

-4,0% -3,9% 5,4% 6,6% 0,6% -0,8% 3,6%
Vereist primair saldo (VPRS) -0,5% -0,6% 1,4% 5,2% 0,2% 0,1% 2,7%
Effectief primair saldo (EPRS) 4,1% 3,5% 2,5% -2,3% -0,7% 3,4% -1,5%
(1) Endogene wijziging van de schuld (VPRS) - (EPRS) -4,6% -4,1% -1,1% 7,5% 0,9% -3,3% 4,2%
(2) Verrichtingen buiten vorderingensaldo 0,6% 0,2% 6,5% -1,0% 0,0% 2,4% -0,5%
Technische parameters              
Impliciete rentevoet "i" 4,5% 4,6% 4,6% 4,0% 3,7% 4,6% 3,8%
Nominale groei van het bbp "n" 5,1% 5,3% 3,0% -1,7% 3,5% 4,4% 0,9%
Reële groei van het bbp 2,7% 2,9% 1,0% -2,8% 2,1% 2,2% -0,3%
Gecorrigeerd nominaal verschil "(i-n)/(1+n)" -0,5% -0,7% 1,6% 5,8% -0,1% 0,1% 2,8%
Bron: Instituut voor de Nationale Rekeningen

Deze zwakke toename is het resultaat van gunstiger begrotingsresultaten, van een sterkere toename van het nominale bbp, maar ook van een actief beheer van de overheidsschuld onder meer via swapverrichtingen.

De Schatkist annuleerde inderdaad in het tweede kwartaal van 2010 de renteswaps (receiver) die ze in 2009 was aangegaan om haar gevoeligheid aan de kortetermijnrente te verhogen. Het ging om een totaal notioneel bedrag van 15,0 miljard EUR. De sterk gedaalde swaprente had de marktwaarde van die posities opgedreven, en de schrapping van die swaps bracht dan ook in totaal 1,04 miljard EUR op (0,30 % van het bbp). In diezelfde periode annuleerde de Schatkist eveneens een aantal andere historische posities van hetzelfde type (receiver swaps) voor een totaal notioneel bedrag van 7,0 miljard EUR. Deze schrappingen brachten de Schatkist 1,12 miljard euro op (0,31% van het bbp).

In totaal daalde de schuld bijgevolg met 2,16 miljard EUR of 0,61% van het bbp als gevolg van de schrappingen van de swaps. Een deel van dat bedrag werd op het overheidstekort van 2010 toegerekend, maar het grootste deel wordt pas in 2011 en volgende toegerekend, naar rato van de resterende looptijd van de geannuleerde swaps.

De renteswaps hebben het overheidstekort daarnaast nog in positieve zin beïnvloed omdat de ontvangen coupons hoger waren dan de betaalde. Zo resulteerden de swaps die in 2009 aangegaan werden al in 2009 in een rentebesparing in economische termen van 185,8 miljoen EUR. In 2010 liep die besparing op tot 395,97 miljoen EUR.


     (1)  Europese Commissie (november 2010).

 (2)  Europese Commissie (november, 2010)

 (3)  Het gecorrigeerd nominaal verschil is de verhouding tussen enerzijds het verschil tussen de impliciete rentevoet op de schuld en de nominale
 groei van het bbp en anderzijds de nominale groei van het bbp.
 

Laatste wijziging : 11-07-2011
 

©2006 Belgian Federal Government  | Disclaimer |  Privacy