|
Geleidelijke afbouw van de overheidsschuld in lijn
met de toekomstige Europese richtlijnen
Na een aanzienlijke daling met 29,5 % van het bbp
over de periode 1999-2007 is de schuldgraad onlangs fors toegenomen en
opgelopen tot 96,8% in 2010 tegen 84,2% in 2007, waarbij meteen een
einde werd gemaakt aan de ononderbroken daling sinds 1993. Behalve de
endogene stijging van de schuldgraad in het kader van een daling van het
bruto binnenlands product en beduidende verslechtering van de
overheidsfinanciën in het kielzog van de economische crisis, is de
toename van de schuldgraad ook te wijten aan het belang van de exogene
factoren die de evolutie van de schuld bepalen in het kader van de
interventies in de financiële sector die nodig waren om die sector te
stabiliseren.
Gelet op de hoge schuldgraad en bijgevolg de
gevoeligheid van de Belgische economie voor plotse rentebewegingen,
neemt de Belgische regering zich voor de schuldgraad zo snel mogelijk te
stabiliseren. Gelet op de impact van sommige operaties om hulp te bieden
aan Griekenland en Ierland in het kader van het Europees steunmechanisme
is het in eerste instantie van belang de endogene schuldgraad terug te
dringen en in tweede instantie de daling van de globale schuldgraad op
gang te brengen.
In de komende jaren en gelet op de gehanteerde
hypothesen, zou de endogene schuld zich in 2011 moeten stabiliseren met
een minimale doelstelling van -3,6 % van het bbp inzake
vorderingensaldo. De totale schuld zou evenwel blijven toenemen onder
invloed van de 2de schijf van de lening aan Griekenland ten belope van
1,28 miljard (of 0,35 % van het bbp), overeenkomstig de verbintenissen
die België is aangegaan in het kader van het steunmechanisme voor dit
land alsook onder invloed van de hulp aan Ierland ten belope van 607
miljoen EUR, of 0,16 % van het bbp.
Vanaf 2012 zou de schuldgraad van de gezamenlijke
overheid, volgens de EDP-definitie, moeten beginnen afnemen aangezien
het niveau van het effectieve primair saldo hoger is dan het primair
saldo dat nodig is om de schuldgraad te stabiliseren en omdat de exogene
factoren relatief zwak zouden zijn. In 2015 zou de schuldgraad dus
opnieuw onder de 90 % uitkomen en opnieuw het niveau van 2007 benaderen,
met een schuldgraad van 88,4 %(1).
|
TABEL 18
Schuldgraad |
|
In % bbp |
2010 |
2011 |
2012 |
2013 |
2014 |
|
1. Schuldgraad |
96,8 |
97,5 |
96,5 |
95,1 |
92,2 |
|
2. Evolutie van de schuldgraad
|
0,6 |
0,7 |
-1,0 |
-1,4 |
-2,9 |
| |
Bepalende factoren evolutie brutoschuldgraad |
|
3. Primair saldo |
-0,7 |
0,1 |
0,7 |
1,8 |
2,9 |
|
4. Interestbetalingen
|
3,4 |
3,5 |
3,6 |
3,7 |
3,6 |
|
5. Exogene factoren die de
schuldgraad beïnvloeden |
0,1 |
0,8 |
0,2 |
0,2 |
0,2 |
|
p.m. impliciet interestniveau
|
3,7 |
3,7 |
3,8 |
3,9 |
4,0 |
|
p.m. endogene schuld
|
96,7 |
96,7 |
96,3 |
94,9 |
92,0 |
Met een daling van 9,1 % van de overheidsschuld
over de periode 2011-2015, wat dus staat voor een jaarlijkse gemiddelde
daling van 2,3 %, beantwoordt België reeds ruimschoots aan de
toekomstige Europese eisen in het kader van het preventief gedeelte van
het stabiliteitsen groeipact. Voor België voorziet dit pact in een
minimale jaarlijkse daling van de schuld met ongeveer 2 % van het bbp(2).
|
TABEL 19
Primair saldo
vereist om de endogene schuldgraad te stabiliseren |
|
In % bbp |
2010 |
2011 |
2012 |
2013 |
2014 |
|
Vereist primair saldo voor
stabilisering endogene schuld |
-0,2 |
-0,3 |
-0,4 |
0,1 |
-0,2 |
|
Genormeerd primair saldo
|
-0,7 |
-0,1 |
0,7 |
1,8 |
2,9 |
Merk op dat die evolutie van de overheidsschuld
in lijn is met de eerder bepaalde doelstellingen in termen van
vorderingensaldo en berust op het feit dat de financiële instellingen in
de periode 2011-2015 geen terugbetalingen uitvoeren. Gelet op de
verbintenis van de Belgische overheid inzake de bestemming van een
eventuele afbouw van de participaties in de financiële sector, zou de
terugbetaling vanwege bepaalde financiële instellingen gedurende de
periode 2011-2015 de Belgische schuld met eenzelfde bedrag doen afnemen.
In het kader van de financiële crisis heeft de
Belgische regering de financiële sector waarborgen verleend teneinde te
zorgen voor een normale werking ervan. Die waarborgen hebben, in
tegenstelling tot de kapitaalparticipaties en leningen, geen enkele
invloed op de geconsolideerde bruto schuld aangezien ze in de nationale
rekeningen als contingente verbintenissen worden beschouwd en buiten
balans zijn opgenomen. Die waarborgen, voor een totaal bedrag van 55,7
miljard EUR eind 2010, tegenover 92,4 miljard EUR in 2009, vormen een
theoretisch maximumrisico. In 2011 zouden de waarborgen oplopen tot 41,2
miljard EUR, hetzij 11% van het bbp. Tot op heden diende geen enkele
waarborg te worden geactiveerd. Om dit risico te beheersen wordt de
evolutie van de verschillende onderlinge activa op de voet gevolgd en
gecontroleerd door een monitoringcomité.
|
TABEL 20
Daadwerkelijke
toekenning van staatswaarborgen aan de financiële sector
|
|
In miljard EUR
|
Eind 2010 |
2011 (raming) |
|
Dexia |
26,9 |
14,0 |
|
FSA |
5,2 |
5,2 |
|
Fortis Bank |
3,9 |
3,9 |
|
RPI |
4,6 |
4,6 |
|
KBC |
15,1 |
13,5 |
|
Totaal |
55,7 |
41,2 |
|
als % van het bbp |
15,9 % |
11,3 % |
(1)
Het Agentschap van de Schuld plant voor het ogenblik geen
renteswap-operaties, zoals in 2009 en 2010 wel het geval was, aangezien
de doelstelling inzake verlenging van de maturiteit van de portefeuille
van schuldpapier normaal verwezenlijkt zal zijn met het emissieprogramma
voor langetermijnpapier. In geval van een aanhoudende inflatoire druk
zou de Schatkist niettemin wel payer swaps (waarbij zij de vaste rente
betaalt en de vlottende ontvangt) kunnen instellen om het marktrisico
(herzettingsrisico) te beperken. Mutatis mutandis kan ze bij een
dreigende recessie receiver swaps afsluiten, wat overigens in de eerste
helft van 2009 gebeurd is. Deze laatste posities werden ondertussen al
weer afgebouwd.
(2)
Minimale afbouw met 1/20 van het verschil tussen de schuldgraad en 60% van
het bbp. Voor België is dit dus (96,8 % - 60 %)/20 = 1,8 % van het bbp.
|